Dutch Games Association / GameLab ·
Weer naar Den Haag: met Heera Dijk in gesprek over games
Door Jeroen Derwort 0 keer gelezen

Ik was weer in Den Haag voor de Nederlandse gamesector. Samen met Bertine van Hövell ging ik namens de Dutch Games Association op bezoek bij Heera Dijk, Tweede Kamerlid voor D66. We spraken over games als cultuur en over de ruimte die jonge makers nodig hebben om hun ideeën verder te brengen.
Dat zijn onderwerpen die voor mij heel dicht bij elkaar liggen. Als gamemaker weet ik hoeveel eigenheid je in een spel kunt stoppen. En in het GameLab zie ik hoe studenten hun eerste stappen zetten: iets uitproberen, opnieuw beginnen, ontdekken wat werkt en langzaam een eigen stijl ontwikkelen. Hoe zorgen we dat daar na hun opleiding ook ruimte voor blijft?
Games verdienen een plek in het cultuurbeleid
Heera heeft binnen D66 de portefeuille Kunst en Cultuur. Een goede aanleiding om het eens uitgebreid over die kant van games te hebben.
We praten vaak over onze industrie in termen van omzet, banen en technologie. Dat is begrijpelijk, zeker nu zoveel studio’s het moeilijk hebben. Maar een game is ook het resultaat van keuzes in vormgeving, muziek, verhalen en interactie. Je bouwt een wereld waarin iemand zelf iets kan beleven en ontdekken.
Dat herken ik natuurlijk uit mijn eigen projecten. Bij Avalon gaat het voor mij ook om de wereld die Bowie en ik samen hebben bedacht, de muziek en het verhaal. Er zit veel van onszelf in. Die kant van het maken verdient een duidelijke plek in het Nederlandse cultuurbeleid.
Tijdens het gesprek hadden we het daarom over ondersteuning die past bij gamemakers. Ruimte om te experimenteren, je vak te ontwikkelen en een eigen werk te maken. Ook als je nog geen groot bedrijf achter je hebt staan.
Van de opleiding naar een eigen plek
Wat het gesprek prettig maakte, was dat Heera de onderwijspraktijk kent. Voordat ze Kamerlid werd, was ze ICT-docent aan De Haagse Hogeschool. De verbinding tussen onderwijs en de praktijk van makers was daardoor heel herkenbaar.
Haar belangstelling voor het onderwerp en de kansen voor jonge makers kwam op mij oprecht over. Voor mij zit daar een belangrijk deel van de opgave. We hebben goede opleidingen en veel talent. Vervolgens moet je dat talent ook de kans geven om in Nederland verder te groeien.
In het GameLab kunnen studenten onder begeleiding aan hun games en ideeën werken. Die eerste ruimte is waardevol. Maar de stap daarna, naar een eigen studio of een baan bij een bedrijf waar je je verder kunt ontwikkelen, vraagt óók aandacht. Je wilt dat de mogelijkheden niet ophouden zodra iemand zijn diploma heeft.
Blijven terugkomen
Het bezoek bouwt voort op de activiteiten waarover ik eerder schreef in mijn blog over Gamescom en de Tweede Kamer. Op 29 september boden we met VGFN en andere partners de petitie over de toekomst van games aan. Een dag later konden politici en beleidsmedewerkers tijdens ‘Gamen in de Kamer’ zelf spelen.
Dat waren mooie momenten, maar daarna moet je het gesprek blijven voeren. Nieuwe afspraken maken, uitleggen waar makers tegenaan lopen en kijken waar iets in beweging kan komen. Binnen de DGA doen we dat met partijen over de volle breedte van de Kamer.
Op 9 november staat het cultuuronderdeel van de OCW-begroting op de agenda. Het was dus een goed moment om games en de ontwikkeling van jonge makers bij D66 onder de aandacht te brengen. Als regeringsfractie kan de partij deze onderwerpen ook binnen de coalitie verder brengen.
Een gesprek levert natuurlijk niet meteen nieuw beleid op. Voor mij telt uiteindelijk of een maker of studio er daadwerkelijk mee vooruitkomt. Daarom blijven we terugkomen op de samenhang tussen cultuur, onderwijs en de economische mogelijkheden van onze sector.
Ook op de radio en bij de NOS
Naast die gesprekken zijn er nog steeds mediaoptredens. Ik werd geïnterviewd op NPO Radio 1 over de game-industrie. De opname kun je hieronder terugluisteren.
Ook de NOS citeert mij in het artikel ‘Ondanks grootste game ooit deze maand, verdwijnen banen in de game-industrie’. Daarin gaat het over het verschil tussen een groeiende wereldmarkt en de moeilijke situatie waarin veel ontwikkelaars zitten.
Ik vertel er onder meer over de terugval na de coronajaren en de positie van Nederlandse bedrijven. We leiden goede mensen op, maar hebben ook studio’s nodig waar ze vervolgens terechtkunnen. Juist tussen de kleine teams en de grote bedrijven is er in Nederland weinig. Betere ondersteuning kan helpen om makers en bedrijven hier verder te laten groeien.
Dat is ook waarom ik dit werk naast het maken van games belangrijk vind. Op de radio bereik je andere mensen dan in een gesprek met een Kamerlid, maar uiteindelijk wil ik steeds hetzelfde zichtbaar maken: achter iedere game zitten mensen die iets proberen op te bouwen. Het zou mooi zijn als we hun in Nederland meer mogelijkheden kunnen geven om daarmee door te gaan.